De treurenden in Sint-Jan-Hospitaalmuseum
Laurent Busine, directeur van het MAC’s in Grand Hornu, koppelt hedendaagse verschijningsvormen van gemis aan een laatmiddeleeuwse rouwstoet.
De renovatiewerken in het Musée des Beaux-Arts in Dijon waren een buitenkans om 37 albasten pleuranten bij het graf van Jan zonder Vrees en zijn echtgenote Margaretha van Beieren, gedateerd tussen 1443 en 1470, op reis te laten gaan. Het Metropolitan Museum of Art in New York kreeg ze als eerste op bezoek en voor ze weer voor eeuwen naar Dijon terugkeren, zijn ze onder andere te gast in de Memlingkapel in het Sint-Jans-Hospitaalmuseum in Brugge.
Bij Lannoo verschijnt de catalogus De treurenden. Grafsculpturen voor de Bourgondische hertogen van Sophie Jugie, de directeur van het Musée des Beaux-Arts in Dijon. Daarin leren we dat we ons met de Kartuizerinnenkerk in een van de grootste artistieke centra van de late middeleeuwen bevinden. Alleen al voor de kwaliteit van de gewaden was het hertogelijk atelier gekend. En wat zo fijn is voor ons is dat door restauraties in de negentiende eeuw de treurende figuren haast intact zijn.
Toch zijn de treurende hovelingen en kartuizermonniken vooral aangrijpend door de manier waarop ze de begrafenisstoet beleven: wenend, biddend, zingend, in gedachten verzonken, hun verdriet ventilerend, of troost biedend aan hun buurman. Precies deze kracht om emoties op te roepen maakte van deze graven in hun tijd ook vernieuwende esthetische werken.
Wie de beeldjes een na een bekijkt, kan dat niet anders dan met stijgende bewondering. Ogen zijn gesloten of ten hemel gericht, of tranen worden onderdrukt. Een hoofd is schuin van mededogen, een hand ondersteunt een buurman of rust even op een gordelriem of -tas. Een vinger beroert de rozenkrans of fungeert bedachtzaam als bladwijzer in een boek. De wereld staat voor even stil. Zelfs de gewaden drukken de vele schakeringen van de rouw uit. Sommige gezichten zijn verborgen in de monnikskap of een mantel wordt gebruikt om tranen te drogen.
De eeuwenoude rouwdragers worden op bijzonder originele wijze gecombineerd met werk van Alberto Giacometti (1901-1966), Hans-Peter Feldmann (1941), Nicolas Gruppo (1970), Giuseppe Penone (1947) en David Claerbout (1969).

