Mijnerfgoed in Limburg
Beringen, Heusden-Zolder, Houthalen-Helchteren, Genk, As en Maasmechelen. Deze zes gemeenten, met een gezamenlijk economisch en sociaal verleden, vormen de Belgisch-Limburgse Mijnstreek. Vandaag is het een dichtbevolkte, multiculturele (arbeiders)streek, met een patrimonium dat uniek is in Vlaanderen.
Voor er steenkool werd ontdekt onder de Kempische zandgrond was het eeuwenlang een uitgestrekt heidegebied waar boeren aan kleinschalige landbouw deden. Rond 1900 woonden er amper 9.800 mensen. Er waren slechts enkele kleine woonkernen, vooral in de vruchtbare en dus rijkere Maasvallei. Het ongerepte en desolate Kempische heide- en moeraslandschap lokte op het einde van de negentiende eeuw talrijke schilders. Vanaf 1901 zou dat allemaal snel veranderen.
In augustus 1901 haalde de Leuvense geoloog André Dumont, na vele proefboringen in de omgeving, in As de eerste Limburgse steenkool boven. Het waren vette kolen en daar had de Belgische industrie nood aan. De Waalse mijnen, die op dat moment al een halve eeuw actief waren, leverden nagenoeg geen vette kolen. Invoer was de enige oplossing. Tot de ontdekking van Dumont. Toch waren er in het begin problemen. Naast geruzie over privé- of staatsconcessies bleek het ontginnen van de Limburgse steenkoollagen technisch niet eenvoudig omdat ze diep onder een onstabiele bovenlaag bleken te liggen. Tot overmaat van ramp brak in 1914 de Eerste Wereldoorlog uit. Uiteindelijk werden er in Limburg 7 monsterconsessies toegekend, wat resulteerde in evenveel mijnzetels. Van oost naar west zijn dat Beringen, Zolder, Houthalen, Winterslag, Zwartberg, Waterschei en Eisden.
De eerste mijn die opengaat is Winterslag, in 1917. Om van start te kunnen gaan met het bovenhalen van het zwarte goud trekken de mijnuitbaters binnenlandse arbeidskrachten aan en ervaren arbeiders uit Centraal- en Oost-Europa. Maar men heeft nog veel meer personeel nodig. Rond 1930 werken al 6.500 gastarbeiders in de Mijnstreek. Om de arbeiders en hun gezinnen aan het mijnbedrijf te binden, bouwen de mijndirecties – naar het voorbeeld van de Engelse Garden Cities – grote mijndorpen met moderne woningen, pleinen, winkels, logementshuizen, scholen en kerken. De mijndorpen of cités in Limburg zijn groene oases in de onmiddellijke omgeving van de mijn. Door onder andere ontspanningsmogelijkheden te voorzien hoopt men het personeelsverloop in te perken en minder last te hebben met vakbonden enstakingen. In de nieuwe wijken zien tal van socio-culturele verenigingen het licht. Het mijnbedrijf gaat niet alleen de dagtaak van de mannen bepalen, maar ook het leven en wonen van duizenden gezinnen.
Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt de Limburgse steenkoolnijverheid in een impasse terecht. De steenkoolproductie loopt gewoon door, maar de opbrengst is voor de Duitse bezetter. Russische krijgsgevangenen werken in de Limburgse mijnen en wonen er in kampen. Na de oorlog wordt de vraag naar arbeiders opnieuw zeer groot. België en Italië sluiten een eerste billateraal akkoord: arbeidskrachten in ruil voor steenkool. Na de mijnramp in Marcinelle (1956), waar tientallen Italianen omkomen, trekt Italië zich terug als leverancier van arbeidskrachten. De rekruteerders wijken uit naar Spanje, Griekenland en Turkije.
Na de Tweede Wereldoorlog lanceert minister Achiel Van Acker ‘de kolenslag’, een ijverige poging om de economie van het naoorlogse België te herstellen en te optimaliseren. De mijnwerker wordt ereburger van het land. De naoorlogse bloei culmineert in de feestelijkheden van 1957, een jubileumjaar voor heel wat mijnen. Maar dan haalt de petroleumindustrie de steenkoolindustrie in, onder andere door de heropening van het Suezkanaal. De kolencrisis is een feit. Een eerste gevolg is de fusie van de mijnen van Zolder en Houthalen in 1964. Heel wat verouderde Waalse mijnen zijn ondertussen ook met sluiting bedreigd. Uit angst voor een revolte in Wallonië offert men ook één Limburgse mijn op: die van Zwartberg, nota bene de modernste van het land. Bij de rellen vallen twee doden, Zwartberg haalt de wereldpers.
De vijf resterende Limburgse mijnen groeperen zich vanaf 1967 in de NV Kempense Steenkoolmijnen (KS). Thyl Gheyselinck krijgt vanaf 1986 de opdracht om de mijnen zo snel mogelijk financieel dragelijk te maken voor de Belgische overheid. Dat leidt uiteindelijk tot de sluiting van Waterschei en Eisden in 1987, Winterslag in 1988, Beringen in 1989 en Zolder in 1992. De frustratie na de definitieve mijnsluitingen is groot en men wil de mijnsites slopen om iets nieuws op te bouwen. Al snel verandert dat en komen de eerste erfgoedprojecten van de grond. Sindsdien is er veel behouden en beschermd. Hetgeen in Limburg bewaard bleef, behoort ontegensprekelijk tot de top in Europa. Het komt er nu op aan om het belang en de uniciteit van dat erfgoed te expliciteren, zowel binnen Limburg als daarbuiten. Net zoals in andere mijnregio’s grepen ook in Limburg de mijnuitbatingen zo sterk in op de sociale, economische, culturele en ruimtelijke morfologie, dat ze ongetwijfeld kunnen gerekend worden tot één van de belangrijkste vormen van erfgoed uit de twintigste eeuw. Ook in andere landen en op internationaal gebied wordt er heel wat aandacht besteed aan mijnerfgoed, getuige de ontsluitingscampagne ‘La Chaîne des Terrils’ in Noord-Frankrijk, de UNESCO-erkenning voor de Zollverein-mijn in het Duitse Essen, Big Pit als onderdeel van het Blaenavon Industrial Landschape in Wales, het stadje Sewell in Chili en nog vele andere voorbeelden. Met wat in Limburg bewaard bleef, en met de huidige projecten voor ogen, horen de relicten van het Kempische Bekken ongetwijfeld in dit prestigieuze lijstje thuis. Limburg mag met zijn mijnerfgoed niet te bescheiden blijven.
