Topstuk van Bouts en Van der Goes

Drieluik met de marteling van de heilige Hippolytus is een schilderij dat, net zoals zoveel andere werken stammend uit de oud-Nederlandse schildertraditie, veel te vertellen heeft, maar eveneens niet al zijn geheimen zomaar prijsgeeft. Tot in de negentiende eeuw geloofde men dat Hans Memling de schepper van het stuk was. Pas laat in de negentiende eeuw werd geopperd dat daarin de hand van Dieric Bouts te ontwaren viel. Bouts, stadsschilder van Leuven, kwam uit de Noordelijke Nederlanden en behoorde tot de tweede generatie van Vlaamse primitieven. Bouts was een van de beste landschapsschilders van zijn tijd. Zonder twijfel ontwikkelde hij een persoonlijke, herkenbare schilderstijl met een idiomatisch vocabulaire. De Hippolytus-triptiek is een buitenbeentje in Bouts’ oeuvre.
‘Vierendelen’ is een onschuldige woord voor een al te akelige martelstraf. Wat een geluk dat het tafereel van Bouts al even verbloemend is als het werkwoord. Elk personage kijkt zo’n beetje toe en het vredige landschap dat over de volledige lengte van het drieluik doorloopt, contrasteert sterk met het leed van de martelaar.De onfortuinlijke heilige heet Hippolytus. Hij vertoefde in de derde eeuw in Rome. Hij bekeerde zich tot het christelijk geloof en veroordeeld. Als in een laatgotisch stripverhaal met horrorelementen vallen verschillende plotlijnen op. Op het rechterluik meent men keizer Decius en zijn gevolg te herkennen Links aan de voet van de heuvel zitten de geknielde opdrachtgevers Hippolyte de Berthoz en Elisabeth de Keverwyck. De Berthoz was een dignitaris aan het Bourgondisch hof en bestelde ergens na 1470 dit drieluik. Al in 1502 schonk hun zoon Karel, schepen van het Brugse Vrije, het werk aan het gilde van de Kalkmeters om hun kapel in de Sint-Salvatorskathedraal te tooien.
Dirk Bouts blijkt niet de enige maker van het werk te zijn. Hij kreeg hulp van de Gentse schilder Hugo van der Goes. Men neemt aan dat hij het linkerluik, waarop de stichterfiguren geknield in het gras zitten, schilderde. De timing van de interventie van Van der Goes is niet helemaal duidelijk. Vroeg de opdrachtgever zelf om de portretten of moest Van der Goes, zoals de meeste auteurs veronderstellen, na het overlijden van Bouts in 1475 het werk vervolledigen?
